Identiteit, het ‘moderne ik’ en de afkeer daarvan

“Je hoort tegenwoordig vaak spreken over de ‘identiteit’. Die zou erg belangrijk zijn. Maar om U de waarheid te zeggen, meneer Van den Boogaard: ik heb geen idee wat ‘identiteit’ zou kunnen beduiden. Wat is onze identiteit? Weet ik het? Weet U het?”. Aan het woord hier, in mijn geheugen, is de geleerde Sem Dresden (1914-2002). Ik heb hem in Leiden gekend, als hoogleraar Franse taal- en letterkunde, en als hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap. (Niet te verwarren met de componist van dezelfde naam, overigens). Het was een tijd waarin je als student soms nog thuis bij de prof tentamen deed en we raakten ook wel eens meer persoonlijk aan de praat, vermoedelijk omdat ik in de jaren daarvoor met een van zijn zoons in de klas had gezeten. Hij was een man van welhaast verpletterende eruditie, zoals zijn zeer omvangrijke oeuvre van voornamelijk essays overtuigend aantoont.

Dat juist hij, die in mijn visie een intellectuele reus zonder weerga was, ‘identiteit’ geen belangrijke categorie achtte, heeft een blijvende indruk op mij gemaakt – en dat even los van de vraag of het niet een beetje gespeelde bescheidenheid was van de geleerde. Die ontwikkelde op latere leeftijd – heb ik me laten vertellen tenminste – belangstelling voor joodse mystiek en schreef in 1991 met ‘Vervolging, vernietiging, literatuur’ ook een baanbrekende geschiedenis over de literaire neerslag van de jodenvervolging door Nazi-Duitsland. Zijn werk lijkt, twee decennia na zijn overlijden, wel een beetje vergeten. Misschien wordt het tijd voor een echte biografie.

Aangemoedigd, of zo men wil ontmoedigd door Dresden heb ik mijn eigen ‘identiteit’ dus altijd een beetje ‘quantité négligeable’ gevonden. Wat zou die immers kunnen zijn? Amsterdammer? Noord-Hollander? Baby-boomer? Ex-NRC-redacteur? Allemaal waar, maar ook allemaal onzinnig omdat je op geen enkele manier zou kunnen omschrijven welke betekenis die identiteiten, als dat al het juiste woord is, hebben gehad op mijn leven en werk. Er zijn allerlei omgevingsfactoren, omstandigheden dus, die heel veel invloed hebben gehad (en waar ik de lezer hier niet mee zal vervelen). Maar van een soort harde kern die je een identiteit zou kunnen noemen en waaraan, als ik dat goed begrijp, veel jongere tijdgenoten tegenwoordig grote waarde toekennen, heb ik bij mezelf in ieder geval nooit wat gemerkt. Leuke boektitel eigenlijk: ‘Tegen identiteit’.

Dit alles schrijf ik om uit te komen bij een buitengewoon aardig boek van Peter Buijs: “De geboorte van het moderne ik. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850′. Want voor het ‘ik’ geldt wat ook voor ‘identiteit’ geldt: het is een culturele constructie die zich aandient als een soort natuurverschijnsel, en die zo vanzelfsprekend en onomstotelijk lijkt dat je bijna zou vergeten dat identiteit en ik betrekkelijk recente vindingen zijn. Als egotistisch voorwerp van studie en reflectie dan – de eerste persoon enkelvoud bestond natuurlijk al grammaticaal bij de Oude Grieken en wat dies meer zij.

Buijs werpt zijn analyse-net wijd uit, en begint met Erasmus. De stelling van het boek is dat het ‘moderne ik’, dat zichzelf bestudeert en met name zijn gevoelens aan introspectief onderzoek onderwerpt, een uitvinding is van de late XVIII-de eeuw. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de eeuwen daarvoor geen persoonlijke brieven en andere min of meer autobiografische geschriften zijn vervaardigd. De (Latijnse) brieven van Desiderius Erasmus (1466-1536), vermoedelijk de internationaal beroemdste Nederlandse intellectueel ooit, zijn een mooi voorbeeld. Buijs ziet die brieven, ofschoon soms zeer persoonlijk van toon, niet zozeer als een vorm van zelfexpressie, maar meer als een vorm van XV-de-eeuws netwerken.

Buijs’ visie op de ontwikkeling van het ‘moderne ik’ is in feite nogal lineair, een benadering waarvan hij in het boek ergens zegt dat die eigenlijk niet zo erg meer in de mode is. Er vindt een geleidelijke emancipatie van het ‘ik’ plaats. De Reformatie bijvoorbeeld kent aan het ‘gewone leven’ van huwelijk, gezin en arbeid een soort ‘geheiligde’ status toe die dat aards bestaan in de katholieke Middeleeuwen niet bezat: wie denkt dat de slag om de zaligheid pas in het Hiernamaals wordt beslecht, en het verblijf van de mens op aarde slechts een voorspel is, besteedt niet al te veel tijd aan de ‘ins en outs’ van het ondermaanse. Het opkomende Rationalisme van de XVII-de eeuw is ook zo’n moment: opeens komt het menselijk denken los te staan van het religieuze denken, van de gedachte aan de onsterfelijkheid van de ziel. Ook het minder gewelddadig worden van de maatschappelijke omgeving werkt bevorderend op de introspectie – wie voortdurend moet vrezen voor het vege lijf, zoals tijdens de Hoekse- en Kabeljauwse twisten of de decennia van de Opstand tegen Spanje, komt minder gauw toe aan de beschouwing van het eigen leven, laat staan de eigen gevoelens.

Al voor de sentimentele culturele revolutie van de XVIII-de eeuw verschijnen al talloze autobiografische geschriften, waaruit Buijs uitvoerig en smakelijk kan citeren. Niet introspectie is hier meestal de opzet, meent hij, maar schrijven is nu eenmaal een effectieve uitlaatklep voor het geprangd gemoed en zoals bekend kampten onze voorvaderen met rampen en problemen waarvan wij hedendaagse Nederlanders – opgevoed in een periode van geen-oorlog en medische voorzieningen en ander comfort die hun gelijke in de geschiedenis niet kennen- ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Ook wie vertrouwd is met de gedachte van Gods voorzienigheid – en welke Nederlander vóór 1850 was dat eigenlijk niet – kan nog wel verdrietig zijn wanneer weer een van zijn kinderen overlijdt, of zijn vrouw in het kraambed de geest geeft. De dood was tot diep in de Negentiende eeuw alomtegenwoordig. Zulke huiselijke zorgen maken dan ook een belangrijk deel uit van de door Buijs geraadpleegde geschriften.

Maar er zijn ook meer spectaculaire autobiografieën, die verhalen van ongewone, avontuurlijk verlopen levens, en waaruit Buijs citeert. Neem Jancko Douwama (1482-1533), een Friese politicus die in de Friese politiek van zijn dagen – vooral bepaald door de burgeroorlogachtige tegenstelling tussen Vetkopers en Schieringers – zo consequent op het verkeerde paard wedde qua bondgenoten dat hij de laatste tien jaar van zijn leven sleet in de vochtige kelders van een kasteel in Vilvoorde, waar hij ook regelmatig gemarteld werd. Dat weerhield Douwama er niet van zes delen mémoires zijn gevangenis uit te smokkelen. Zulke mémoires, schrijft Buijs niet zonder enig gevoel van ‘understatement’ – zijn niet zozeer een uitdrukking van zelfonderzoek, maar geven hun auteur wel enige lucht bij het ventileren van zijn ‘gevoelens van onbehagen’.

De echte ‘culturele aardverschuiving’ die het mogelijk maakt de eigen gevoelens, en daarmee het eigen geluk of ongeluk als zodanig, in geschrifte aan de orde te stellen en te beschrijven, komt echter pas aan het einde van de XVIII-de eeuw, zoals gezegd. Zoals vaak in Nederland is het een dominee die hier het verschil maakt, in dit geval de Zwitserse predikant Johann Kasper Lavater (1741-1801). Deze is vooral de geschiedenis ingegaan als de grondlegger van de ‘fysionomie’, de dubieuze ‘wetenschap’ om aan iemands uiterlijk zijn karakter en dergelijke af te lezen. Maar Buijs gaat het vooral om Lavaters in 1780 in Nederlandse vertaling uitgegeven ‘Geheim dagboek’. Het eerste deel van dit werk was in 1771 anoniem in het Duits verschenen met een titel die weinig twijfel liet aan de bedoelingen van de schrijver: “Geheimes Tagebuch. Von einem Beobachter seiner selbst”.

Uit het voorwoord van de Nederlandse vertalers in 1780 komt duidelijk naar voren hoe revolutionair de gedachte van een ‘geheim dagboek’ wel niet was – als een introspectief en intiem genre dat het volle daglicht niet kon verdragen. Menigeen zal de inhoud van Lavaters geheim dagboek “ongewoon, nieuw en onsmakelijk’ vinden, schrijven de vertalers namelijk. Hun verdediging – en trouwens ook die van Lavater zelf – is dat de introspectie een instrument ter bevordering van de godsvrucht is, van de vroomheid dus. Maar met God kun je ook al in de XVIII-de eeuw vele kanten uit, en wat betreft het sentimentele navelstaren is zo rond 1800 ook in Nederland het hek van de dam. Een cultuur waarin een ieder zijn persoonlijke gevoelens voor een legitiem onderwerp van onderzoek en conversatie houdt, is geboren. En dat veld is, zoals bekend, nog volop in beweging: een van jongste ontwikkelingen is dat aan Amerikaanse universiteiten van docenten wordt gevergd dat zij in de collegezaal geen zaken te berde brengen die studenten in hun gevoelens zouden kunnen kwetsen.

Ik denk niet dat Sem Dresden, om nog even op hem terug te komen, voor zulke studenten begrip had opgebracht. Uit een van de leukste essays die ik van hem ken, “Problemen der dagboekliteratuur’ uit 1949, blijkt dat hij zelfs een uitgesproken afkeer had van dagboeken en andere geschriften die slechts of voornamelijk uit de ‘geestesgesteldheid’ van de auteur voortkomen.

Op smalende toon beschrijft Dresden de dagboekschrijver, die hij als spontaneïteit vermomde kunstmatigheid verwijt: ” ’s Avonds, na beëindiging der dagtaak, trekt de dagboekschrijver zich in zijn kamer terug. Geheel alleen overziet hij de dag en vooral zichzelf in dien dag, zijn streven en zijn mislukkingen. De gehele werkelijkheid wordt op kamertemperatuur gebracht, zij wordt “gechambreerd”. (.) De buitenwereld, als zodanig, bestaat niet meer in deze bespiegelende houding; zij is geworden tot een buitenwereld binnen vier muren, overkoepeld door een plafond en verlicht door een kunstmatige bron. In deze beschouwing (.) worden alle gegevens van de daagse werkelijkheid verzwolgen”. In deze trant gaat Dresdens beschouwing nog geruime tijd door. Tenslotte, meent hij, is de psychische structuur van de dagboekschrijver niet meer te bepalen, die is in letterlijke zin ‘amorf’ geworden.

In het onwaarschijnlijke geval dat ik ooit nog een boek ‘Tegen identiteit’ zou schrijven, mag Dresden zeker niet in de literatuurlijst ontbreken. Mocht er ooit nog een tijdperk aanbreken in de Nederlandse literatuur waarin het hoogstpersoonlijke en het persoonlijk gevoel als onderwerpen weer uit de mode raken of ‘onsmakelijk’ worden gevonden, dan kan Dresden als de heraut ervan gelden.

Peter Buijs: De geboorte van het moderne IK. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850. Uitgeverij Verloren, 2021.

Sem Dresden: Problemen der dagboekliteratuur. In: Bezonken avonturen, pp. 87-105. J.M. Meulenhoff 1949.

J.C. Lavater’s Geheim dagboek: Uit het Hoogduitsch. (1780) is te lezen via Google Books.

Vandaar komt ook de afbeelding bij dit blog.

Een gedachte over “Identiteit, het ‘moderne ik’ en de afkeer daarvan

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: