De verlokkingen van de tafeldans…

Soms lijkt het alsof vooruitgang in de wetenschap aan de mensheid niet besteed is. Terwijl het virus dat Covid-19 veroorzaakt in een ongekend ijltempo is onderkend en in kaart is gebracht, en er werkzame vaccins tegen zijn uitgevonden, blijft een minderheid van de mensheid van mening dat de ziekte niet bestaat, en het hele gedoe met mondkapjes, reisverboden en andere sanitaire maatregelen slechts de manifestaties van een bedenkelijke samenzwering zijn. En dat is nog maar één voorbeeld van de vele theorieën en waanideeën die de ronde doen in onze technologisch hoog ontwikkelde samenleving – waarbij het soms lijkt alsof een aanzienlijk deel van de mensheid het internet niet gebruikt om zich adequaat te informeren, maar meer om zich te wentelen in allerlei denkbeelden die met de waarneembare werkelijkheid niets te maken hebben.

Dat is niets nieuws. De XIX-de eeuw geldt als de eeuw waarin de wetenschap zoals wij die nu kennen, voor het eerst doorbrak. Proefondervindelijkheid, meetbaarheid kwamen in de plaats van het primaat van de metafysica bij de beschouwing van natuur en leven. Maar een aanzienlijk deel van de burgerij in de landen van het Westen – ook onder meer intellectueel ingestelden van wie je dat niet zou verwachten – gaf zich over aan dagdromen over mogelijke contacten met de geest van gestorvenen. Mediums – personen die geacht werden bijzonder begaafd te zijn in het leggen van contacten tussen doden en levenden – hadden druk werk, soms als theaterattractie maar ook vaak in hun eigen kennissenkring of in de salons der beter gesitueerden. Tafels dansten, door onzichtbare geesteshand bewogen, en gaven met klopsignalen boodschappen van gene zijde door. Op een houten bord met letters en cijfers verschenen uitvoerige boodschappen. En menigeen kon het familie-fotoalbum verrijken met de portret waarop hij of zij stond afgebeeld naast de vage contouren van een reeds verscheiden verwant.

De XIX-de eeuw was, naast die van de wetenschap, immers ook die van het spiritisme. Niet iets volkomen nieuws, schrijft de Franse arts-anthropoloog Phillippe Charlier, verbonden aan het volkenkundige museum Quai Branly, in zijn onderhoudende ‘Autopsie des fantômes’, een geschiedenis van het moderne spiritisme. Gespookt had het al eerder natuurlijk, in de Middeleeuwen al, zeer tot verdriet van kerkelijke autoriteiten die reageerden met verboden en geestuitdrijving. Van oudsher kent de Katholieke kerk echter ook de leer van het Vagevuur, voorportaal van de hemel en verblijfplaats voor geesten die nog wat aan hun zuiverheid moeten werken alvorens de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Deze in de XVIII-de eeuw eigenlijk in onbruik geraakte geloofsdoctrine kent rond 1850 plots een enorme opleving in populariteit – meestal in verband met de opkomst van de Maria-verering. (De moeder Gods werd geacht de koningin van het vagevuur te zijn). De gedachte dat de levenden door gebed, het opdragen van missen of kopen van aflaten, een gestorvene het duwtje kunnen geven dat nodig is om de hemel binnen te gaan, doet onmiskenbaar afbreuk aan de gedachte van een radicale breuk tussen leven en dood: met de doden is, ook volgens de katholieke kerk, nog een zekere mate van menselijke interactie mogelijk.

Het moderne spiritisme van de XIX-de eeuw heeft echter andere, wetenschappelijke- of liever gezegd pseudo-wetenschappelijke wortels. Zo is er de ‘ontdekking’ in 1779 van het ‘dierlijk magnetisme’ door de Duitse arts Franz-Anton Mesmer, en soortgelijke onderzoeken die de gedachte wekken aan de mogelijkheid voorwerpen of wezens op afstand te doen bewegen. Maar de daadwerkelijke dialoog met de gestorvenen komt pas echt op gang in de Verenigde Staten waar een tweetal domineesdochter uit de staat New York, Maggie en Kate Fox, tien en twaalf jaar oud, in 1848 het gesprek aangaan met een geest die zich Mr. Splitfoot noemt – de gespleten hoef is zoals bekend een kenmerk van de duivel. Van het een komt het ander: al vlug worden de zusjes internationale beroemdheden die tegen betaling hun gaven als medium ter beschikking stellen. In 1871 gaan ze zelfs op tournee naar Engeland, waar Sir Arthur Canon Doyle een van hun grootste fans is. De schepper van Sherlock Holmes drijft zelfs in Londen een winkel in occulte benodigdheden, zoals de ‘Ouija’, het bord waarmee de geest een tekst over het voetlicht kan brengen. (Tekst gaat door onder de afbeelding).

Al spoedig wemelt het in de Verenigde Staten van succesvolle mediums. De behoefte een contact met de doden neemt ook fors toe door de meer dan 600.000 levens kostende Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865). Maar voor een echte profeet en theoreticus van het spiritisme moeten we in Frankrijk zijn. Hippolyte Rivail (1804-1869) werd beter bekend onder zijn ‘nom de plume’ Allan Kardec. Hij kwam uit Lyon, had op de Zwitserse kostschool van de befaamde pedagoog Pestalozzi zijn eerste vorming ontvangen en vatte in 1829, na terugkeer in Frankrijk waar het tafeldansen in de betere kringen inmiddels een hoge vlucht had genomen, een uitgesproken belangstelling op voor de wetenschappelijke studie van vernieuwend geachte theorieën en inzichten. En niet alleen op esoterisch gebied. Rivail was een typische vertegenwoordiger van een streven naar sociale vernieuwing op alle fronten zoals die zich manifesteerde in de revolutie van 1848, en was ook aanhanger van Charles Fourier en Saint-Simon.

Maar het is toch vooral zijn werk op het gebied van het spiritisme waaraan Kardec zijn faam ontleent en maakt dat zijn grafmonument op Père Lachaise in Parijs tot op de huidige dag door bewonderaars in de bloemetjes wordt gehouden. In 1857 verscheen zijn eerste studie op dit gebied, “La livre des esprits’, gevolgd door talrijke andere boeken in deze sfeer, die al spoedig in veel andere landen vertaald worden, in bijvoorbeeld Nederland door een Arnhemse arts, Jean Guillaume Plate (1812-1885) die ze ook in eigen beheer uitgaf. Kardec stichtte in 1858 het nog altijd bestaande tijdschrift ‘Revue spirite’, gevuld met ‘wetenschappelijke’ studies naar sterke staaltjes van geestverschijning. Ook dit initiatief vond buiten Frankrijk navolging. Zo verschenen in Nederland het ‘Spiritistisch tijdschrift’ en na 1885 ‘De blijde boodschap’. De bekendste ‘Kardeckiaan’, zoals dat heette, was Sytze Roorda van Eysinga (1827-1897), broer van Sicco, de bekende Multatuliaan en vrijdenker, alsmede auteur van de beruchte brochure ‘Koning Gorilla’. Het ‘Kardeckianisme’ heeft zich ontwikkeld tot een soort orthodoxie in het spiritisme, met systematisch beschreven en met onderzoekingen ‘gestaafde’ leerstukken als reïncarnatie, de rol van mediums en andere bemiddelaars tot de geesteswereld, en het bestaan van een soort semi-materie waarin de geesten zich kunnen vertonen, ook bekend als ‘ecto-plasma’. (Tekst gaat verder onder de afbeelding).

Die wetenschappelijke pretentie is een belangrijk kenmerk van het spiritisme. Dat is dus geen openbarings-godsdienst, of een levensovertuiging die het moet hebben van de motivatie van de aanhangers. Nee, het bestaan van geesten van overledenen met wie enige communicatie mogelijk is, wordt geacht wetenschappelijk bewijsbaar en bewezen te zijn. Het paradoxale gevolg van deze benadering is dat de zeer talrijke gevallen waarin mediums door de mand zijn gevallen – bijvoorbeeld omdat hun goocheltrucs werden doorzien – door de spiritisten eigenlijk niet worden gezien als bewijs dat zij zich met onzin bezig houden. Dat veel mediums als bedriegers worden ontmaskerd, of zichzelf ontmaskeren, geldt eerder als een adelsbrief voor het spiritisme – omdat het waarheidsgehalte van niet ontkrachte spiritistische verschijnselen immers aan permanente controle onderhevig is.

Als een excuus kan misschien gelden dat in de tweede helft van de XIX-de eeuw heel wat wetenschappelijke en technische ontdekkingen worden gedaan die het contemporaine voorstellingsvermogen te boven gingen. Je zou dus kunnen denken dat het voor iemand uit die tijd meer voor de hand lag de gedachte dat er tussen leven en dood een duidelijke scheidslijn is, niet voor onomstotelijk te houden. Toch was het aantal echte geleerden in de exacte wetenschappen die het spiritisme serieus namen steeds betrekkelijk gering. Maar ze waren er dus wel: bijvoorbeeld de befaamde sterrenkundige Camille Flammarion (1842-1925) die zijn werktijd verdeelde tussen het turen door de telescoop – hij is de auteur van de inmiddels verlaten theorie van ‘kanalen’ op Mars – en spiritistische seances. (Tekst gaat verder onder de afbeelding).

Flammarion schijnt ook de schrijver Victor Hugo (1802-1885) met het spiritisme in contact te hebben gebracht. Nadat de gevierde auteur in 1853 in ballingschap was gegaan uit afkeer van het regime van Napoleon III, gaf hij zich op het eiland Jersey zo’n twee jaar over aan spiritistische séances. De geesten die in huize Hugo acte de présence gaven, waren zeker niet de minsten, blijkt uit het ‘Livre des tables’, een handschrift met Hugo’s spiritistische belevenissen dat bewaard is gebleven: Jezus Christus, Mohammed, Hannibal, Molière, Galilei, Aristophanes en vele anderen maakten hun opwachting, en lieten zich trouwens opvallend vaak zeer laatdunkend uit over Napoleon III. Het handschrift bevat ook tekeningen, waarvoor het potlood door onzichtbare hand is voortbewogen. (Zie hieronder). Shakespeare droeg vanuit gene zijde een nieuwe tragedie bij – direct in het Frans omdat de bard van Avon – beter laat dan nooit – tot het inzicht was geraakt dat de Franse taal superieur is aan de Engelse. Overigens kende Nederland ook een kras staaltje spiritistische litteratuur. Sytze Roorda van Eysinga publiceerde in ‘De blijde boodschap’ in 1990 een kloek essay van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) die al in 1897 het aards bestaan vaarwel had gezegd maar nu, op uitnodiging van Roorda en door tussenkomst van het medium ‘Forster’ zijn licht liet schijnen over het leven aan gene zijde. (Tekst gaat door onder de afbeelding).

Een heet hangijzer in het spiritisme vormde het door Kardec vastgestelde vermogen van sommige geesten zich semi-materieel te manifesteren en sommige mediums om zulke semi-materiële verschijnselen op te roepen. Over het algemeen gold de regel dat het geen pas gaf te proberen de verschijning aan te raken – dat zou ook gevaarlijk kunnen zijn voor het medium. Toch zijn heel wat mediums ontmaskerd door toeschouwers die zich niet langer konden inhouden en erachter kwamen hoe spiegels en andere hulpmiddelen werden gebruikt bij het oproepen van geesten. Philippe Charlier meent dat het erotisch element bij veel spiritistische séances vooral niet verwaarloosd moet worden. Bij de meeste bijeenkomsten in de half-verlichte salons in het fin de siècle waren de toeschouwers heren, en was het medium een vrouw. En die was meestal niet gekleed in de korsetten die voor de dames in de betere kringen in deze tijd de norm waren, maar veelal in ruimvallende, aan de klassieke oudheid herinnerende gewaden – niet zelden deels doorzichtig. Soms was het medium ook naakt, zoals blijkt uit deze foto van een vrouw bij wie het ectoplasma, een stof waarin geesten vorm kunnen aannemen, uit de tepels lijkt te komen. (Tekst gaat verder onder de afbeelding).

Maar waar het aanraken van geestverschijningen dus moest worden afgeraden, bood de relatief nieuwe fotografie natuurlijk uitgelezen kansen om het bestaan van geesten onomstotelijk aan te tonen. Ook hier kwam de vinding uit de VS. William Mumler, fotograaf uit Boston, merkte in 1861 bij het ontwikkelen van een zelfportret dat op de achtergrond zijn reeds twaalf jaar eerder overleden neef te zien was, enigszins vaag. Mumler begreep vermoedelijk wel hoe dit kwam: hij had de natte collodium-plaat die hij gebruikte, niet goed schoongemaakt voor gebruik zodat een ouder negatief door de nieuwe afbeelding heen schemerde. Maar deze, en andere methoden van dubbele belichting openden voor velen de mogelijkheid om zich te laten vereeuwigen op een foto in gezelschap van iemand die al overleden was. Er bestaan zeer veel foto’s uit alle delen van de wereld die op deze manier tot stand zijn gekomen. Fotografie was overigens niet de enige techniek waarmee je in theorie de geesten van gestorvenen zou kunnen betrappen en vastleggen. De Amerikaanse uitvinder Thomas Edison (1847-1931) ontvouwde plannen voor een apparaat dat de stemmen van geesten zou kunnen vastleggen. Deze necrofoon is er overigens nooit gekomen. (Tekst gaat door onder de afbeeldingen.)

De dood is heel naar, vooral voor de nabestaanden. De gedachte dat de dood niet definitief is, is een heel aantrekkelijke. Antropoloog Charlier heeft begrip voor de XIX-de-eeuwers die – misschien tegen beter weten in – het spiritisme een kans wilden geven. En zeg nou eerlijk: waarom zou contact tussen de levenden en de doden bij voorbaat wetenschappelijk onmogelijk zijn, in een tijd waarin de wetenschap talrijke zaken mogelijk maakt, die voorheen volstrekt onvoorstelbaar waren? De geleerden kunnen met elektriciteit voorwerpen op afstand in beweging te brengen, stemgeluid de oceaan over te sturen en de medemens hypnotiseren, om wat voorbeelden te noemen. Wat in Charliers ogen ook een rol speelt, is dat in de XIX-de eeuw de dood veel dichterbij was dan in onze XXI-ste: de gemiddelde leeftijd was lager, kindersterfte een alledaags verschijnsel, de medische wetenschap minder ver voortgeschreden.

Philippe Charlier toont zich in zijn onderhoudende geschiedenis van het spiritisme dus lankmoedig ten aanzien van de spiritisten. Afgezien van de leniging van de genoemde existentiële behoeften, boden séances ook nog aantrekkelijk spektakel en af en toe erotisch vertier. En elke geest was anders – wat dat betreft was het spiritisme een uitdrukking van XIX-de-eeuws individualisme. Laten we dus vooral niet schamper doen over de spiritisten van anderhalve eeuw geleden, en hen niet veroordelen als dwaallichten die de stem van de tijd en de wetenschap niet verstonden. Ze waren, dunkt me, in ieder geval inventiever en sympathieker dan die kleine minderheid in onze tijd, die meent de wetenschappelijke kennis over Covid-19 tot een leugen te kunnen bestempelen en iedere week op het Amsterdamse Museumplein de confrontatie met de politie zoekt om hun geborneerde afkeer van de wetenschap kracht bij te zetten.

Philippe Charlier: Autopsie des fantômes. Une histoire du surnaturel. Éditions Tallandier, Parijs 2021.

De ‘posthume’ tekst van Eduard Douwes Dekker over het spiritisme is door Sytze Roorda van Eysinga in 1891 als aparte brochure uitgegeven onder de titel ‘Multatuli en het spiritisme’ en door Google gedigitaliseerd.

Afbeeldingen: 1. Het befaamde medium Eusapia Palladino tijdens een séance in Parijs op 12 november 1898. 2. Een zogenaamde Ouija. 3. Het grafmonument voor Allan Kardec op Père Lachaise, tot op heden door zijn bewonderaars regelmatig van verse bloemen voorzien. 4. Nog een séance van Eusapia Palladino in 1898, rechts van haar Camille Flammarion. 5. Schets uit het ‘Livre de tables’ van Victor Hugo, 1853-1855. 6. Ektoplasma-draden op het lichaam van een medium, Eva carrière, 1900-1920. 7. Spiritistische foto’s van William Mumler (l.) en William Hope (r.).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

<span>%d</span> bloggers liken dit: