Vreest niet, het nieuwe liberalisme ‘van onderop’ is in aantocht

De snelheid waarmee de Amerikaanse president Donald Trump, gesteund door de Republikeinse partij, in de Verenigde Staten poogt de bijl aan de wortels van de liberale democratie te zetten, is bepaald verbazingwekkend. Het nieuwste, op het moment dat ik dit schrijf, is het voornemen om van de ‘impeachment’-procedure in de Senaat een soort propaganda-bijeenkomst te maken. Zakelijke argumenten over de vraag of Trump de organen en de gelden van de staat heeft misbruikt voor persoonlijk politiek gewin zullen, zo lijkt het plan, plaats maken voor allerlei onbewezen verdachtmakingen, samenzweringstheorieën en niet te vergeten persoonlijke beledigingen aan het adres van de politieke tegenstander. Democraten over de hele wereld zullen het met angst en beven moeten aanzien, hopend op een goede afloop, die geenszins gegeven is.

Trump ontpopt zich steeds meer tot een populistisch leider, die van de democratische instituties gebruik gemaakt heeft om (een deel van) de macht te veroveren, maar eenmaal op die positie vastbesloten lijkt aan de macht te blijven en niet schuwt diezelfde instituties opzij te zetten of te ondermijnen. Wat dat betreft lijkt Trump precies op de Turkse leider Erdogan, de Hongaar Orban, de Pool Kaszcynski of de Rus Poetin. De ondermijning van de rechtsstaat en de ondergraving van pluriformiteit in de media zijn hun eerste prioriteiten. En dat allemaal – doen zij het voorkomen – vanuit een positief ideaal: bescherming van ‘het volk’ tegen veronderstelde bedreigingen, met name die door een ‘vaderlandloze’, globalistische elite die alles wat echt, traditioneel of waardevol dreigt op te lossen in een vaag, liberaal niets.

Daartoe heeft Orban zelfs de naam van een nieuwe politieke orde uitgevonden: ‘illiberale democratie’. In dezelfde sfeer heeft Poetin onlangs in een kranteninterview het liberalisme voor ‘achterhaald’ verklaart. Zelfs onze vaderlandse Baudet, die alleen in zijn eigen gedachten lijkt te geloven, heeft naar eigen zeggen aan het liberalisme in het bijzonder een broertje dood. Nog zijn zulke gedachten in de meeste Westerse landen het werk van agitatoren in de minderheid. Maar het kan geen kwaad om eens na te gaan hoe de liberale democratie zich nu eigenlijk verhoudt tot de aanstormende populisten, en met welke argumenten de strijd gevoerd wordt.

Bij uitstek opgewassen tegen deze taak is de Duitse politicoloog Jan-Werner Müller, die al eerder in 2016 in ‘Was ist Populismus’ de nieren van de nieuwe generatie anti-democraten proefde, als een der eersten. In zijn nieuwe boek ‘Furcht und Freiheit’ (Vrees en vrijheid) doet hij niet alleen een poging tot een bestandsopname op het ideologische slagveld, maar probeert ook te formuleren hoe een hedendaags liberalisme, en daarmee de liberale democratie er uit zou kunnen zien.

Een niet geringe complicatie daarbij is natuurlijk dat onder de vlag van liberalisme, vroeger en nu, uiteenlopende ideeën bestaan, al sinds de XVIII-de eeuw. Liberalisme kan de naam zijn voor het streven om het individu maximaal in staat te stellen zichzelf te ontplooien, wat Müller het ‘zelfverwerkelijkings-liberalisme’ noemt. Onder liberalisme kan ook een meer institutioneel streven worden verstaan: het streven naar rechtsstaat en gelijke behandeling van alle burgers, parlementarisme en constitutionalisme. Ook is er de meer economisch georiënteerde variant, die ‘liberalisme’ primair ziet als een filosofie die gericht is op het terugdringen van alle staats- en overheidsbemoeienis in het maatschappelijk leven, en – mede op grond daarvan – meent dat de economische markt zoveel mogelijk van overheidsingrijpen moet worden gevrijwaard.

Als we kijken naar de stand van de liberale democratie anno 2019 kunnen we er niet omheen te herinneren aan de soms ronkende sfeer waarin na 1989 de definitieve overwinning van de liberale democratie werd verkondigd. Müller wijst er mijns inziens terecht op dat Francis Fukuyama zijn befaamde ‘einde van de geschiedenis’ lang niet zo stellig heeft verkondigd als vriend en vijand dat later hebben opgevat. Zo verwees de Amerikaanse politicoloog zelfs in de titel van zijn bestseller naar ‘de laatste mens’, de Nietzscheaanse aanduiding die zich – zeer vrij vertaald – in de liberale orde vreselijk zou gaan vervelen en op zoek naar extatisch gemeenschapsgevoel of persoonlijk avontuur de orde zou gaan verstoren.

Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat in de eerste jaren na 1989 veel politiek ongerief in de wereld, zoals de moordpartijen in Ruanda of de oorlogen in ex-Joegoslavië, werd voorgesteld als een uiterst onwelkome afwijking van de norm, waartegen de ‘internationale gemeenschap’ corrigerend moest optreden. In dit opzicht waren de Amerikaanse ‘neo-cons’, anders dan de verwijzing naar conservatisme doet vermoeden, voorbeeldige liberalen die de rechten van de mens en burger, zoals geformuleerd in de Franse- en Amerikaanse Revoluties, ook in Irak en andere landen ‘manu militari’ wilden verbreiden. Met euvele gevolgen, zoals bekend.

Grote delen van de wereldbevolking kregen ook te maken met liberaal economisch gedachtengoed dat om onduidelijke redenen de naam ‘neo-liberaal’ gekregen heeft en dat de mens primair wil zien als een ‘soevereine consument’ die liefst tegelijkertijd ondernemend is en met anderen de concurrentie aangaat. De onbesuisde wijze waarop deze filosofie is doorgevoerd bij de economische hervormingen in Rusland en andere voormalig socialistische landen heeft er voor gezorgd dat velen daar liberalisme als een plaag zijn gaan zien. Maar ook in de geïndustrialiseerde landen van het Westen is het (neo-)liberalisme op deze manier in een kwade reuk gekomen: door de reductie van vaak in tientallen jaren strijd en overleg tot stand gekomen sociale vangnetten bijvoorbeeld, of door de financialisering van maatschappelijke gebieden die eerder een status aparte hadden in het economisch leven, zoals cultuur en wetenschap.

Bij dit alles werd menigmaal op hoge toon verkondigd dat er ‘geen alternatief’ was – een verre- en naar mijn smaak perverse echo van het liberale vooruitgangsgeloof uit de XIX-de eeuw, dat ook graag wilde denken dat de voortgang van de ‘Vernunft’ in de wereld niet te stuiten was. Maar in werkelijkheid was en is het liberaal gedachtengoed natuurlijk een huis met vele kamers. Er zijn wel degelijk alternatieven.

Om over de tegenstrijdigheden nog maar te zwijgen. Liberalisme is heus niet altijd en overal samengegaan met volmaakte democratie bijvoorbeeld – denk maar eens aan census-kiesrecht of uitsluiting van vrouwen uit het democratisch proces. Elke generatie en elke soort liberalen heeft misschien de neiging te denken dat uit de liberale gedachte noodzakelijkerwijze allerlei praktische politiek voortvloeit. Maar dat is niet zo: in Ierland was tot voor kort abortus verboden, in Nederland toegestaan – beide landen zijn een liberale democratie.

Die gedachte dat er voor concreet liberaal beleid ‘geen alternatief’ bestaat, op economisch gebied bijvoorbeeld, heeft er vermoedelijk toe bijgedragen dat ook in het Westen de liberale democratie voor een deel als onderdrukkend zijn ervaren. De gedachte aan zelfverwerkelijking legt in combinatie met het commando zonder veel vangnet op alle gebied met anderen te moeten concurreren, een niet geringe dwang tot conformisme aan de termen van die competitie op, een ‘rat race’ die zich met vrijheid-blijheid moeilijk laat combineren.

Maar waar de liberale democratie zich in ieder geval niet mee laat combineren zijn anti-democratische ideologieën of staatkundige richtingen. Het is niet nodig daarbij alleen maar, of zelfs voornamelijk aan fascisme of communisme te denken. Al vroeg in de XIX-de eeuw kwamen anti-liberalen met het bezwaar dat het liberalisme een ‘koude’ filosofie was, die het individu voortrok tot schade van de bezieling in de maatschappij of natie – al of niet in verbinding met religie. Dit oude bezwaar leeft nog steeds voor bij Orban, Kaszcynski of Baudet – precies de ‘laatste mens’ waarover Nietzsche en Fukuyama het hadden. Zulke critici zijn bereid uit naam van meestal uiterst vage gedachten over cultuur, natie en bezieling een eind te maken aan de liberale vrijheden – liefst met zichzelf in het hart van de nieuwe structuur.

De oorlog die populisten voeren tegen het liberalisme is in veel opzichten een windmolengevecht, betoogt Müller. Dat er zo iets als een globale elite bestaat die bezig is alle koppen dezelfde richting op te sturen en geen nationale binding heeft, is een mythe. Bijna alle elites – bestuurlijk, academisch, noem maar op – ontstaan op nationaal niveau en zijn daar ook werkzaam. In werkelijkheid bestaat er geen euvele plannen smedende groep, die van plan is de bevolking van landen door anderen te vervangen, zoals populisten graag denken. Ook de EU heeft het geenszins op de nationale eigenheden van de lidstaten voorzien, zoals populisten graag aannemen.

Daarmee zijn beleidsmakers op nationaal- en internationaal niveau niet boven kritiek en debat verheven, integendeel. Maar het is, schrijft Müller, populisten ook niet zozeer om debat te doen, en zelfs niet om de introductie van sociaal-conservatief beleid – wat in een liberale democratie in principe volstrekt aanvaardbaar zou zijn. Het punt is dat populisten de sterke neiging vertonen om vanuit een minderheidspositie te pretenderen de wil van ‘het volk’ te vertolken, tegen de beweerde liberale samenzwering in. Populisten ontzeggen aan hun tegenstanders de legitimiteit door te zeggen dat die onder valse vlag varen.

De politieke doctrine van het populisme berust op uitsluiting – niet alleen van minderheden, migranten en wat dies meer zij, maar eigenlijk van iedereen die het niet met ze eens is. Op die manier is de kritische pers voor Trump ‘de vijand van het volk’ en zegt de leider van de Britse Brexit-partij, Nigel Farage, dat alle ‘real people’ voor Brexit zijn. Als populisten aan de macht komen, brengen ze deze pretentie, te regeren namens een soort ‘zwijgende meerderheid’ in de praktijk door ‘onechte’ rechters en journalisten zoveel mogelijk het leven zuur te maken, en in het verlengde daarvan ook ‘onechte burgers’ te bedreigen. Een ‘illiberale democratie’ zoals Orban die decreteert, bestaat niet – dat is een staatsvorm waarin bewust met de regels van het democratische spel de hand wordt gelicht.

Is er een vorm van liberalisme denkbaar die wél meer naar de mensen luistert en tegemoet komt aan de na 1989 ontstane, op zich zeer begrijpelijke ergernissen over de werking van de liberale democratie? Hier introduceert Müller het werk van de in Riga geboren, in de Verenigde Staten werkzame politicologe Judith Shklar (1928-1992). Shklar was als Duitstalig kind met haar vader nog net op tijd gevlucht voor de Sovjet-bezetting van Letland in 1939, en had het na avontuurlijke omzwervingen door Zweden, Siberië, Japan, de VS en Canada tot hoogleraar politieke ideeën in Harvard gebracht. In haar in 1989 verschenen essay ‘Liberalism of fear’ ontwierp ze een nieuw ‘model’ voor het liberalisme.

Shklars liberalisme is een liberalisme van onderop, dat uitgaat van de wenselijkheid om bij de burgers ‘vrees’ weg te nemen. Bij haar geen prachtige vooruitzichten van vooruitgang of menselijke vervolmaking, laat staan onvermijdelijkheid of sentimentele geestdrift voor de natie. Mede op grond van haar eigen familiegeschiedenis, en meer in het algemeen de politieke geschiedenis van de XX-ste eeuw, concludeerde ze dat de mens in staat en bereid is tot ongelofelijke wreedheden. Vrijheid betekent vrijheid van vrees voor deze wreedheid – de samenleving en de staat moeten de voorwaarden scheppen waaronder de mensen, en met name bedreigde groepen en individuen, hun bestaan met gerustheid tegemoet kunnen zien. Het wegnemen van vrees is de voornaamste manier waarop het liberalisme ervoor zorgen kan, de vrijheidsgedachte die aan alle varianten van deze politieke filosofie ten grondslag ligt, in vervulling te laten gaan. Luisteren naar de slachtoffers is de eerste voorwaarde voor zo’n liberalisme.

Het ei van Columbus, zou je bijna zeggen: het liberalisme ter bescherming van het vege lijf. Het is een goed idee, maar natuurlijk geen recept waarmee het liberalisme voortaan gevrijwaard blijft van allerlei dilemma’s en tegenstrijdigheden. Wat bijvoorbeeld te doen met de discrepantie tussen vrije meningsuiting op het internet en het gebruik dat terroristen en vijanden van de democratie daarvan maken? De strijd gaat verder.

Jan-Werner Müller: Furcht und Freiheit. Für einen anderen Liberalismus. Edition Suhrkamp 2019.

Afbeeldingen. 1. Eeuwenlang was het aan Tacitus ontleende verhaal van de Bataafse opstand tegen de Romeinse overheersing de centrale mythe van de Nederlandse vrijheid. Rembrandt schilderde de samenzwering rond de Bataafse voorman Claudius Civilis in 1661-2, voor het Amsterdamse Stadhuis op de Dam. Na een jaar werd het doek daar echter weggehaald, en Rembrandt sneed 75 procent weg om het beter te kunnen verkopen. (Nationalmuseum, Stockholm). 2. De vrijheidsboom op het Burgerplein (nu Koningsplein) in Amsterdam in 1795. (Rijksmuseum)

Opnamedatum: 2013-07-05

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: