Joden werden moslims – verder weinig nieuws bij identitaire volksmenners

De blanke, heteroseksuele, katholieke man staat in Frankrijk op uitsterven – dat was de hoofdboodschap in de geruchtmakende toespraak die de publicist Éric Zemmour vorige maand hield op een extreem-rechtse bijeenkomst. Voor Zemmour niets nieuws: al jaren luidt hij de noodklok over een dreigende ondergang van Frankrijk onder invloed van corrupte elites en media, en een oprukkende Islam. Maar ook historisch gezien is er niets nieuws onder de zon, laat de Franse historicus Gérard Noiriel zien in zijn boek ‘Le venin dans la plume’ (Het gif in de pen). Hij vergelijkt daarin Zemmour, tegenwoordig een bekende media-figuur in Frankrijk, met Édouard Drumont, een succesvolle antisemitische publicist aan het eind van de XIXde eeuw: dezelfde gedachte dat het vijf voor twaalf is, dezelfde waarschuwingen voor ‘sluipende’ ondermijning. Alleen het gevaar heeft een andere naam gekregen: bij Drumont waren het de Joden, bij Zemmour zijn het de moslims.

Toevallig heb ik die toespraak van Zemmour op 28 september live gezien op de Franse nieuwszender LCI, omdat ik op de satellietontvanger wat zapte. Op een bepaalde manier was het wel fascinerend: met onmiskenbare verbetenheid slingert Zemmour zijn ideeën de zaal in, als iemand die op voorhand al weet dat velen ze onaanvaardbaar zullen vinden. Toch sprak hij op deze zaterdagmiddag voor welwillend publiek – op een ‘Convention de la droite’ georganiseerd door Marion Maréchal-Le Pen, die al jaren probeert met het stichten van een eigen beweging het Rassemblement National van haar tante Marine Le Pen rechts in te halen.

Op LCI was duidelijk dat slechts een deel der aanwezigen Zemmours bijdrage onverdeeld kon waarderen, en deelnam aan de staande ovatie na de toespraak. Zelfs onder extreem-rechtse Fransen bestaat kennelijk het gevoel dat het ideologisch, apocalyptisch wereldbeeld van Zemmour weliswaar amusant is, maar hun politieke stroming wel erg ver verwijdert van het leven van alledag, en politiek gedoemd is de overtuiging van een sekte te blijven. Als u de Franse taal machtig bent, en u beschikt over een sterke maag, dan kunt u Zemmours toespraak van een halfuur hieronder zien:

Bovenstaande video is overigens afkomstig van de site van Zemmour zelf, want de enige kopie van de uitzending van LCI op Youtube is te slecht van kwaliteit. LCI, een nieuwszender in handen van het politiek neutrale TF1, heeft achteraf veel kritiek te verduren gekregen voor het live uitzenden van de toespraak van iemand die bij herhaling wegens haatzaaien voor de rechter heeft gestaan. Een tikje schijnheilig zijn die verwijten vaak wel: Zemmour is, juist omdat hij regelmatig schandalige, tot verontwaardiging en rumoer aanleiding gevende dingen zegt, een graag geziene gast in allerlei bladen en tv-programma’s, en niet alleen die van extreem-rechtse signatuur. Zijn aanvallen op moslims, homo’s, lesbo’s, abortuswetgeving, liberale elites van allerlei aard, en niet te vergeten de media, dragen al jaren bij tot smeuïg debat, bijvoorbeeld in de babbelshow ‘On n’est pas couché’ op de publieke zender France 2. Maar dat weerhoudt Zemmour er geenszins van de houding aan te nemen van iemand wiens waarschuwingen door de media worden onderdrukt.

Deze media-presentie is een belangrijk element in de vergelijking die Noiriel, historicus verbonden aan de EHESS, maakt tussen Zemmour en Drumont. Zemmours ster kon rijzen dankzij de in de jaren tachtig ingezette ontwikkeling van het Franse media-landschap, gekenmerkt door dalende oplagen in de geschreven pers en felle strijd om de kijk- en luistercijfers onder een toenemend aantal radio- en tv-zenders. In deze omgeving wordt het steeds belangrijker praters te engageren die opschudding veroorzaken – geeft niet hoe, bij wijze van spreken. Zemmour wordt wegens opschudding verwekkende uitspraken als vaste medewerker regelmatig ontslagen – recent bij radio RTL bijvoorbeeld – maar na korte tijd even regelmatig weer aangesteld. Hij is nu columnist bij het dagblad Le Figaro en een vaste verschijning op de tv-zender C-News.

Edouard Drumont (1844-1917) had zijn bekendheid als publicist te danken aan een soortgelijke media-explosie. De perswetten van 1881 schaften de preventieve censuur af. Dat leidde tot een explosie van het aantal dagbladen van allerlei signatuur – de grootste haalden oplagen van tegen de miljoen en er werd enorm veel geld mee verdiend. In 1886 publiceerde Drumont zijn maar liefst 1200 pagina’s tellende boek ‘La France juive’, waarin hij beweerde dat er een samenzwering bestond van Joden die de Franse staat en economie hadden overgenomen en ten eigen bate saboteerden. Anti-Joodse gevoelens waren natuurlijk niets nieuws in Frankrijk, maar de systematische doctrine waarin Drumont ze onderbracht, was wel nieuw.

In 1892 stichtte Drumont zijn eigen dagblad, ‘La libre parole’ (Het vrije woord), waarin hij zijn antisemitisme instrumentaliseerde voor de analyse van de dagelijkse actualiteit. De krant had de primeur van het zogenaamde ‘Panama-schandaal’, een corruptie- en financiële affaire die veel kleine beleggers tot de bedelstaf bracht. Een ander hoogtepunt in het bestaan van de krant was in 1894 de veroordeling van de kapitein Alfred Dreyfus wegens verraad – een juridische dwaling die Drumonts ideeën over een joods complot tegen Frankrijk leek aan te tonen. In de jaren daarna daalde Drumonts ster echter, terwijl zijn antisemitische ideeën in bredere kring ingang vonden. Plannen om met zijn inmiddels gestichte ‘Ligue Antisémite’ een serieuze politieke partij te worden mislukten. Hij stierf in 1917 grotendeels vergeten.

Net als Zemmour wist Drumont handig de media te bespelen voor het vergroten van zijn bekendheid. Zijn boek ‘La France juive’ was in 1886 aanvankelijk onopgemerkt gebleven, maar dat veranderde toen sommigen die hij – soms geheel ten onrechte – als Jood had aangemerkt, aanstoot aan zijn schrijfsels namen. Het slagveld van die tijd was niet de tv-studio, maar een grasveldje buiten de stad waarop in aanwezigheid van getuigen een duel met de blanke sabel kon worden uitgevochten. Zo duelleerde Drumont onder andere met Arthur Meyer, directeur van de krant ‘Le Gaulois’. Meyer wist Drumont weliswaar te verwonden, maar op een manier die de getuigen als ‘deloyaal’ beschouwden. Dit was publicitair goud: Drumont kon zich nu als slachtoffer van Joodse arglist profileren (Meyer was overigens wel van Joodse afkomst, maar een volledig geassimileerde Franse nationalist). De grote kranten die tot dan toe zijn ‘La France juive’ hadden genegeerd, konden er niet omheen melding te maken van het schandalige duel, en moesten Drumonts boek daarbij tenminste noemen.

Noiriel is een specialist op het gebied van de geschiedenis van de immigratie, en in bredere kring vooral bekend van zijn onderzoek naar het leven van ‘Chocolat’, een (op Cuba geboren) zwarte clown die in Frankrijk rond 1900 furore maakte. Dat hij de tijd heeft genomen om een heel boek te schrijven over Zemmour in vergelijking met Drumont, lijkt deels veroorzaakt door het feit dat Zemmour de academische geschiedbeoefening in Frankrijk ziet als een van de hoofdschuldigen voor de ophanden zijnde ondergang van de natie. De ‘nationale roman’ is voor Zemmour een geschiedenis van grote mannen, zoals hij in zijn column in Le Figaro regelmatig laat blijken – een geschiedopvatting die onder professionele historici grotendeels heeft afgedaan. Onder zijn helden zijn Lodewijk XIV, Napoleon Bonaparte en generaal De Gaulle. Ook Drumont had zijn grote helden in de Franse geschiedenis, maar dat was in zijn tijd, voor de professionalisering van de geschiedwetenschap, misschien vergefelijker. Grappig is dat zowel Drumont als Zemmour een zeker enthousiasme aan de dag leggen voor de onderdrukking van de protestanten in de tijd van het Franse koninkrijk – protestanten zijn voor beiden immers per definitie verraders van de katholieke natie.

Misschien niet helemaal het sterkste deel van Noiriels studie is het hoofdstuk waarin hij zich overgeeft aan een vergelijkende biografische schets van de protagonisten van zijn boek. Zemmour en Drumont hebben gemeen dat zij zich verschoppelingen achten van de gevestigde politieke en intellectuele elite, van degenen dus die in het openbaar debat de toon aangeven, over contacten op hoog niveau beschikken en een opleiding aan een der betere hogescholen hebben genoten. Sociale rancune geeft vleugels en biedt bovendien de mogelijkheid zichzelf als ‘een man van het volk’ voor te doen – ook al is daartoe qua afkomst niet veel aanleiding. De status van genegeerde buitenstaander draagt kennelijk bij aan de geloofwaardigheid van hun beweringen.

Maar zulke psychologisering lijkt me toch een riskant procédé, al was het maar omdat er enorme verschillen zijn tussen het Frankrijk van 1886 en dat van nu. Veel overtuigender is Noiriels vergelijkende analyse van de debat-methode: de gecultiveerde verongelijktheid, de gewoonte om juist het on-aantoonbare karakter van beweringen als het duidelijkst bewijs voor te stellen, het voortdurende streven naar provocatie, de bewering dat er sprake is van een welbewuste samenzwering bij de vijanden van Frankrijk.

En de meest opvallende overeenkomst is misschien nog wel dat het voor Drumont én Zemmour ‘vijf voor twaalf’ is: de ondergang is nabij, of het nu is in de vorm van uitlevering van de Franse natie aan het internationale Jodendom – voor Drumont vooral belichaamd in de bankiersfamilie Rothschild – of de demografische ‘vervanging’ van de Fransen door moslims. Aanslagen door moslim-extremisten, de legalisering van het homo-huwelijk, de abortus-wetgeving, de antiracisme-beweging, vrouwenemancipatie, de wettelijke mogelijkheid je kind Rasjid of Samira te noemen in plaats van Jean of Bernadette – het zijn bij Zemmour allemaal onderdelen van één groot plan. Een open samenleving met een wisselende bevolkingssamenstelling kan Zemmour zich niet voorstellen, evenmin als Drumont. Het moet erop of eronder zijn.

Zijn dit soort identitaire denkers ook gevaarlijk, vraagt Noiriel zich af aan het eind van zijn bepaald uitputtend uitgevallen vergelijking tussen Zemmour en Drumont. Drumonts antisemitisme bleef in zijn tijd eigenlijk zonder duidelijke politieke gevolgen: Dreyfus werd gerehabiliteerd en Joodse Fransen bleven een belangrijke rol spelen in de Franse samenleving op alle niveau’s. Wel ging meer of minder virulent antisemitisme deel uitmaken van het vaste repertoire van de meest rechtse sector van de Franse politiek. Het was dan ook geen toeval dat het Vichy-bewind van generaal Pétain – voor wie Zemmour overigens bewondering heeft – enthousiast gehoor gaf aan de druk van zijn nazi-meesters en medewerking verleende aan de Jodenvervolging.

Voor een segment van extreem-rechts in Frankrijk is antisemitisme tegenwoordig nog altijd een thema, net als in andere landen. Maar het is geen toeval dat Marine Le Pen poogt haar Rassemblement National te ontdoen van het antisemitische erfgoed dat haar vader in de beweging had ingebracht, in de vorm van Holocaust-ontkenningen en opvallende vriendschap met bepaalde Jodenhaters. Antisemitisme is een obstakel in het streven van het RN een ‘normale’ politieke beweging te maken.

Er dient zich bovendien een veel actuelere en voor de hand liggende vogelverschrikker aan voor wie de Franse natie door samenzwering en machinaties bedreigd wil zien: de moslims. Die zijn niet alleen niet-katholiek, maar plegen zelfs aanslagen. Die moslims hebben dus bij Zemmour de rol van de Joden overgenomen, en niet alleen omdat Zemmour zelf van joodse origine is. De moslims kunnen uitstekend dienen als de vijand in de ophanden zijnde kladderadatsj, vooral als je er voetstoots van uit gaat dat de extremisten onder hen representatief zijn voor de gehele bevolkingsgroep. Wat de resultaten zijn van deze nieuwe ronde in de identitaire volksmennerij, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Gérard Noiriel: Le venin dans la plume. Édouard Drumont, Éric Zemmour et la part sombre de la République. La Découverte 2019.

Afbeeldingen. Boven: Zemmour tijdens zijn gewraakte toespraak, en een voorpagina van ‘La libre parole’, met een afbeelding van Drumont als redenaar. Onder: een affiche voor de ‘volksuitgave’ van ‘La France juive’ uit 1886 en een affiche voor het dagblad ‘La libre parole’ uit 1899, met een portret van de oprichter. (Archiefmateriaal: BnF).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: