Desnoods onder het bed – de Russische kunst overleefde

LEES DIT STUK OOK OP DE SITE VAN DE GROENE AMSTERDAMMER.

Wat u hierboven ziet is de – voor Russische begrippen – ruime vierkamer-flat van de familie Palejev in Sint-Petersburg, op de campus van het Polytechnisch Instituut. Als u nu denkt: daar hangen wel erg veel schilderijen, hebt u helemaal gelijk. Die hangen, dichtbij elkaar, door het hele appartement, in alle kamers. Het is de collectie van de natuurkundige Ilja Palejev (1901-1970) – meer dan 130 schilderijen en andere kunstwerken uit de tijd tussen eind XIXde-eeuw en de jaren 1960. Ilja’s zoon Vladimir, die in ditzelfde appartement woont, heeft de kunstverzameling van zijn vader bewaard zoals die was – geen schilderij is verplaatst. Het appartement is op die manier een monument voor een van de wondere wegen waarop de Russische schilderkunst – en meer in het algemeen de Russische cultuur – de destructie van de Sovjet-periode deels doorstaan heeft. Door de aan fanatisme grenzende hardnekkigheid van enkelingen.

De Nederlandse kunsthistoricus Sjeng Scheijen heeft aan die flat, en die collectie een rijk geïllustreerde monografie gewijd: The Paleev Collection, die door de boekhandel/uitgeverij Pegasus in Amsterdam – steun en toeverlaat voor iedere Nederlander die iets met Rusland heeft – wonderschoon is uitgegeven. Scheijen is de auteur van twee grensverleggende boeken op het gebied van de Russische cultuurgeschiedenis. In zijn biografie Diaghilev laat hij zien dat de betekenis van deze culturele vernieuwer en organisator ver uitsteeg boven het ballet, waarmee hij meestal wordt geassocieerd. In zijn recente De Avantgardisten toont hij aan dat vernieuwende rauwdouwen als Malevitsj of Tatlin in 1917 min of meer bij toeval geassocieerd raakten met de bolsjewieken van Lenin, en dat ze met de kleinburgerlijke kunstopvattingen van de nieuwe Russische machthebbers dus eigenlijk weinig gemeen hadden – nog voordat Stalin er de zweep overheen haalde.

The Paleev Collection is een studie van meer beperkte reikwijdte, maar draagt evenzeer bij aan een goed begrip van de Russische cultuurgeschiedenis in de XXste eeuw. Rusland kende – zoals de meeste beschaafde landen in Europa – in de XIXde eeuw kunstverzamelaars, onder de adel maar ook, tegen het eind van de eeuw, onder de leden van de industriële bourgeoisie en de wat hoger opgeleiden. Voor de Russische cultuur was die tijd voor 1914 een bloeiperiode, vol vernieuwing en experiment – niet voor niets spreekt men wel van het ‘Zilveren tijdperk’. Wat de schilderkunst betreft wemelde het – naast de zo lang overheersende stijl van realisten als de zelfs vandaag de dag tot vervelens toe vereerde Ilja Rjepin – van allerlei avantgardistische stromingen: post-impressionisten, symbolisten, kubisten, suprematisten noem maar op.

De Russische verzamelaars zagen, na 1917, hun collecties al spoedig door het nieuwe bewind genaast en soms verpatst. De beeldende kunst deelde in de tragische geschiedenis van een land onder een ideologisch hoogst-gemotiveerd minderheidsbewind: kunstenaars die emigreerden (en soms uit heimwee terugkeerden), anderen die door het slijk werden gehaald wegens ‘formalisme’ of ander gebrek aan partijtrouw of conformisme aan de instructies van de staat, kunstenaars die in het kamp verdwenen etc. Vanaf de jaren dertig werd een kunst-doctrine opgelegd die ‘socialistisch realisme’ heette – met veel optimistische tractor-boerinnen, stralende toekomsten en flatteus geportretteerde leiders. Niet elke kunstenaar was kneedbaar genoeg om de overstap te maken, en zulke ‘andere’ kunst stond dus al spoedig in de reuk staatsgevaarlijk te zijn, en werd sociaal en economisch, en in een enkel geval strafrechterlijk gemarginaliseerd.

Pas de dood van Stalin, in 1953, bracht in die situatie verandering. Dat was ook het moment waarop Ilja Palejev begon met verzamelen. Een van zijn eerste aanwinsten was dit portret uit 1941 van de legendarische acteur en directeur van het Joodse Staatstheater Solomon Michoels, die in 1948 in het kader van Stalins antisemitische campagne ‘tegen kosmopolitisme’ vermoord is. Het portret, een gouache, is van Robert Falk (1880-1958), een kunstenaar die in 1938 de fout had gemaakt uit Parijse ballingschap naar zijn Russische vaderland terug te keren.

Dat de collectie Palejev begon met een portret van Michoels is niet toevallig. Palejev zelf was van joodse origine, geboren in de Vestigingszone in het Westen van Rusland waar joden mochten wonen ten tijde van het Keizerrijk. De revolutie van 1917 was voor veel joden in Rusland een paspoort naar volwaardig staatsburgerschap en voor Palejev persoonlijk de poort naar een carrière in wetenschap en industrie. Helaas zou die joodse emancipatie, onder Stalin tenminste, niet van blijvende aard zijn. Spoedig na de overwinning op Nazi-Duitsland begon de Sovjet-leider zijn eigen anti-joodse campagnes. De moord op Michoels – een wereldberoemde acteur en filmster die zich in de oorlogsjaren als voorzitter van het Joods Antifascistisch Comité zeer had ingespannen voor internationale steun aan de Sovjet-Unie – was vormgegeven als een auto-ongeluk maar iedereen in de Sovjet-Unie begreep de boodschap: nu zijn, na de terreur van de jaren dertig, in het bijzonder de joden van de Sovjet-Unie aan de beurt. De arrestatie van een groep joodse artsen in 1952, die ervan werd beschuldigd Stalin te hebben willen vergiftigen, leek de opmaat naar een soort tweede Holocaust.

Maar toen, in april 1953, gaf Stalin gelukkig de geest. Een nieuwe tijd brak aan, van grotere vrijheden, meer pluralisme – ook in de kunst – en in het algemeen meer menselijke waardigheid. In deze sfeer greep Ilja Palejev zijn kans, en begon al zo lang politiek versmade kunst te verzamelen – zowel werken uit de jaren vóór de revolutie van 1917 als kunst die in de decennia daarna officieel veroordeeld was. Verzamelaars als hij waren er vermoedelijk enkele tientallen, in de grote steden Leningrad en Moskou, maar ook in de buitengewesten. Ze waren niet altijd zo riant gehuisvest als de familie Palejev, met muren waar de boel kon hangen. Er waren er ook die op een één-kamerflatje huisden en hun collectie dus grotendeels onder het bed bewaarden.

Niet geld motiveerde zulke verzamelaars: in een land zonder officieel gegarandeerd privé-bezit en zonder een vrije markt waarop kunstwerken verhandeld konden worden, was de geldelijke waarde van kunstwerken niet van belang. Wat die verzamelaars verbond was de overtuiging dat kunst van zichzelf waarde heeft, culturele en geestelijke waarde dus, en dat kunstwerken daarom van de ondergang gered moeten worden. In deze context geschiedde het verzamelen voornamelijk op discrete wijze. Verzamelaars ruilden onderling – niet alleen de werken zelf, maar ook kunsthistorische documentatie. Soms verschenen er opeens onbekende, of verloren gewaande werken op de ‘markt’, van nazaten van overleden- of al lang geleden geëmigreerde kunstenaars. Ook via de banken van lening – in de Sovjet-Unie ‘Kommisioni Magazini’ geheten – doken zulke werken soms op, die dan na het verstrijken van de termijn geheel legaal verworven konden worden. Scheijen drukt in zijn boek een paar van zulke lommerdbriefjes af.

In de Sovjet-Unie was niets eenvoudig. Vanaf de jaren zeventig, toen Russische non-conformistische kunst plotseling in het Westen groot geld ging opbrengen, zagen particuliere verzamelaars in de USSR zich plotseling geconfronteerd met een kongsie van partij-establishment en maffia – de term kleptocratie was ook toen al van toepassing in Rusland – die probeerde hun schatten te onteigenen, langs juridische weg of gewoon door ordinaire diefstal bij nacht en ontij. Maar veel verzamelingen bleven desondanks bewaard. De meeste ervan zijn pas na de ontbinding van de Sovjet-Unie in 1991 in de openbaarheid gekomen. De werken kwamen op de internationale kunstmarkt terecht of werden door vaderlandslievende nazaten van de verzamelaars geschonken of in bruikleen gegeven aan publieke musea – in Rusland of een van de andere opvolger-staten van de voormalige Sovjet-Unie.

De Palejev-collectie is een van de laatste die zich nog op de locatie van oorsprong bevindt, als een monument voor de eigenzinnigheid voor al die Sovjet-burgers die hebben gemeend dat het van belang was cultuurgoederen te beschermen. Zulke collecties bestonden niet alleen voor schilderkunst, er waren er ook met iconen die uit afgebroken kerken waren gered, of met manuscripten van in ongenade geraakte schrijvers. Er waren trouwens ook conservatoren van musea en archivarissen die de overheid onwelgevallige beeldende kunst, films en documenten onder misleidende aanduidingen hebben weggestopt in hun archieven of depots, in afwachting van tijden waarin deze schatten weer getoond en gezien zouden kunnen worden. Sinds 1991 is – ondanks alle vrijheidsbeperkingen in het Rusland van nu – die hoop bewaarheid.

Sjeng Scheijen: The Paleev Collection. Pegasus, Amsterdam 2019.

De afbeeldingen bij dit blog zijn alle uit het boek. Hieronder nog ‘Vrouwen’ van Boris Grigorjev uit 1916 en “Zelfportret’ van Leonid Tsjoepjatov (1890-1941).

Mijn recensie van Sjeng Scheijens ‘De avant-gardisten’ is verschenen in de Groene Amsterdammer: https://www.groene.nl/artikel/permanente-provocatie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: